Vragen over dit artikel?
Contacteer de auteur

Virginie Ciers
Partner
Corporate Law | M&A | Transactions

31 augustus 2026
Het nieuwe Boek 7 BW “Bijzondere contracten” en de gevolgen voor de Belgische M&A-praktijk
Na de codificatiearbeid aan het Belgische verbintenissenrecht staat nu het bijzonder contractenrecht aan de beurt. Het wetsvoorstel tot invoeging van Boek 7 “Bijzondere contracten” in het Burgerlijk Wetboek, zoals goedgekeurd door de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers op 16 juli 2026, herschrijft onder meer het Belgische gemeenrechtelijke kooprecht — het aanvullende recht dat, bij gebrek aan afwijkende clausules, het juridische vangnet vormt voor aandelen- en activaovernames. De vraag dringt zich op wat die hervorming concreet verandert voor de M&A-praktijk.
In deze bijdrage worden de vier meest relevante wijzigingen voor transactiejuristen onderzocht: de samensmelting van de vorderingen wegens niet-conforme levering en verborgen gebreken tot één conformiteitsbegrip, de gewijzigde verjaringstermijnen, de beperking van de dwalingsvordering en de herziening van het regime bij verkoop van andermans goed. Daarbij wordt het onderscheid gemaakt tussen share deals en asset deals, omdat Boek 7 beide transactievormen op wezenlijk verschillende wijze raakt.
De wet treedt volgens de aangenomen tekst in werking op de eerste dag van de twaalfde maand na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, doch kan contractueel vroeger van toepassing worden verklaard.
1. Share deal vs. asset deal: waarom dit onderscheid bepalend is
Een eerste vaststelling die de hele analyse stuurt: de wettelijke koopgarantie slaat uitsluitend op het juridische voorwerp van de verkoop. Bij een share deal zijn dat de aandelen; de onderliggende activa, schulden en vergunningen van de doelvennootschap vallen daar niet onder. Bij een asset deal daarentegen is het de vennootschap zelf die als verkoper de activa en passiva overdraagt, zodat het kooprecht — en dus ook Boek 7 — rechtstreeks op die vermogensbestanddelen van toepassing is. Dat verschil is niet academisch. Het verklaart waarom de hervorming voor asset deals onmiddellijker voelbaar zal zijn, terwijl bij share deals de contractuele verklaringen en garanties het centrale beschermingsmechanisme blijven.
Uiteraard dient te worden benadrukt dat het kooprecht van aanvullend recht is, waarvan kan worden afgeweken. Typisch zullen aandelen en activaovereenkomsten in een eigen regime voorzien voor contractuele vorderingen naar aanleiding van gebreken in de overgedragen goederen (al dan niet met uitsluiting van de gemeenrechtelijke vorderingen).
2. Verandert de garantie voor verborgen gebreken bij een aandelen- of activaovername?
De wellicht meest fundamentele wijziging betreft de samensmelting van de vorderingen wegens niet-conforme levering (art. 1604 e.v. oud BW) en verborgen gebreken (art. 1641 e.v. oud BW).
Onder het huidige recht moet een koper kiezen tussen deze twee regimes, die elk hun eigen toepassingsvoorwaarden, termijnen en sancties kennen. In de praktijk leidt dat onderscheid al langer tot hoofdbrekens: zodra een gebrek zowel als non-conformiteit en als verborgen gebrek te kwalificeren valt (de zogenaamde “verborgen non-conformiteit”), ontstaat een afbakeningsprobleem dat de Belgische rechtspraak nooit volledig heeft opgelost. Boek 7 kiest voor een breuk met die traditie en voert één eenvormig conformiteitsbegrip in (art. 7.2.30 BW).
De verkoper is voortaan aansprakelijk voor elk conformiteitsgebrek dat ten minste in de kiem bestond op het ogenblik van de levering, zelfs als dit gebrek pas later aan het licht komt en hij daarvan geen kennis kon hebben op het ogenblik van de levering en zelfs in geval van overmacht.
Wat betekent dat voor aandelentransacties? Minder dan men op het eerste gezicht zou verwachten. De wettelijke garantie strekt zich ook na de hervorming niet uit tot de onderliggende onderneming: ze dekt enkel gebreken aan de aandelen zelf — denk aan beperkingen op de overdraagbaarheid, geschorste stemrechten, of aangetaste dividend- of liquidatierechten. Een louter lagere ondernemingswaarde volstaat niet. Het opnemen van contractuele verklaringen en garanties over de bedrijfsactiviteit, jaarrekeningen, vergunningen en fiscale situatie blijft daarom even noodzakelijk als voorheen. Wel verandert het wettelijke referentiekader waartegen die clausules worden geïnterpreteerd.
3. Hoe lang kan een koper na overname nog een garantieclaim instellen?
Onder het huidige recht bestaat geen enkele wettelijke tijdslimiet tussen de koop en de ontdekking van een verborgen gebrek: een vordering blijft mogelijk zelfs wanneer het gebrek pas meer dan tien jaar na de koop opduikt. Pas na de ontdekking start een “korte termijn” die de rechter geval per geval beoordeelt.
Boek 7 vervangt dit door een drieledig systeem voor conformiteitsgebreken waarvan de buitengrenzen voortaan vastliggen.
Ten eerste geldt een garantietermijn van tien jaar vanaf de levering voor conformiteitsgebreken (art. 7.2.32 BW). Ten tweede moet de koper het gebrek na ontdekking binnen een “redelijke termijn” aan de verkoper melden (art. 7.2.33 BW). Laat hij dat na, dan wordt hij vermoed het gebrek te hebben aanvaard. Ten derde beschikt de koper over twee jaar, te rekenen vanaf die kennisgeving, om een vordering in te stellen tegen de verkoper, met dien verstande dat zijn recht in elk geval vervalt na tien jaar en drie maanden vanaf de levering (art. 7.2.34 BW).
Dit regime geldt ook voor de vrijwaring bij aandelenkoop. In de M&A-praktijk worden garantietermijnen contractueel vastgelegd — doorgaans twaalf tot vierentwintig maanden voor algemene garanties, langer voor fiscale, sociale zekerheids- en milieugaranties — zodat de directe impact beheersbaar lijkt. Toch is de wijziging niet zonder belang: de wettelijke termijn van tien jaar vormt voortaan het referentiekader voor elke contractuele afwijking, en biedt partijen meer voorspelbaarheid over de risico’s die na afloop van de contractuele garantieperiode resteren. Bij het formuleren van tijdslimieten waarbinnen een vordering dient te worden ingesteld, zal men dit aanvullend kader in het achterhoofd moeten houden.
4. Kan een koper de overname nog aanvechten wegens dwaling na overname?
Boek 7 maakt een duidelijke keuze: wanneer een dwaling terug te voeren is op een conformiteitsgebrek van het verkochte goed, is een nietigverklaring wegens dwaling over een doorslaggevende eigenschap uitgesloten (art. 7.2.35 BW). De wetgever wil daarmee de cumulatie van twee actiegronden voor hetzelfde feitencomplex voorkomen. Wie een conformiteitsgebrek vaststelt, moet de weg van de conformiteitsvordering bewandelen; de dwaling biedt geen alternatieve route. Bedrog, geweld en misbruik van omstandigheden blijven wél als zelfstandige wilsgebreken beschikbaar, ook indien zij terug te voeren zijn op een conformiteitsgebrek van het verkochte goed.
Is dat een aardverschuiving voor de overnamepraktijk? Niet echt. De Belgische rechtspraak stond al bijzonder terughoudend tegenover dwalingsvorderingen bij aandelenkoop: een vergissing over de waarde van de aandelen of de rendabiliteit van de onderneming werd zelden als dwaling over de zelfstandigheid van de zaak aanvaard. Kopers steunen bij aandelentransacties dan ook al langer op contractuele verklaringen en waarborgen als hun eerste verdedigingslinie. Wat wél de aandacht verdient, is dat bedrog onverminderd beschikbaar blijft als grondslag naast de contractuele garanties. Adequate bekendmakingen tijdens het due diligence-proces — met name via een goed gestructureerde dataroom — blijven daarmee het aangewezen instrument om dat risico te beheersen.
5. Wat gebeurt er als de verkoper niet volledig beschikkingsbevoegd was over de aandelen?
Artikel 1599 oud BW behandelt de verkoop van andermans zaak als een nietige rechtshandeling wegens onmogelijk voorwerp — een constructie die op kritiek stoot.
Boek 7 trekt er een streep onder: de verkoop van andermans goed wordt voortaan niet langer nietig verklaard, maar uitsluitend gesanctioneerd via de vrijwaring voor uitwinning (art. 7.2.18, tweede lid BW) die kan worden ingeroepen voordat de uitwinning actueel is. De koper behoudt tevens de mogelijkheid om zich te beroepen op de anticipatieve exceptie van niet-uitvoering of de anticipatieve ontbinding, en kan desgevallend terugvallen op andere nietigheidsgronden zoals bedrog. Maar de loutere vaststelling dat de verkoper niet over het goed kon beschikken, leidt niet langer tot nietigheid.
De praktische relevantie ligt vooral bij kettingtransacties. Stel dat een aandelenkoop wordt vernietigd wegens een wilsgebrek, terwijl de koper de aandelen inmiddels heeft doorverkocht aan een derde. Die derde kan zich tegen de doorverkopende partij keren op grond van de vrijwaring voor uitwinning. Titelonderzoek naar de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper — bijvoorbeeld bij eerdere pandvestigingen, miskende voorkooprechten of statutaire overdrachtsbeperkingen — blijft onverminderd een essentieel onderdeel van het overnameproces.
6. Wanneer treedt Boek 7 in werking en welke overeenkomsten worden geraakt?
Boek 7 treedt volgens de aangenomen tekst in werking op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin de wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt — een wachttijd van bijna een jaar, naar het voorbeeld dat bij Boek 5 “Verbintenissen” werd gevolgd. De overgangsregeling bepaalt dat Boek 7 enkel van toepassing is op rechtshandelingen en rechtsfeiten die dateren van na de inwerkingtreding, tenzij partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen.
Concreet betekent dit dat een SPA die vóór de inwerkingtredingsdatum wordt gesloten, in beginsel onderworpen blijft aan het huidige kooprecht — ook voor rechtshandelingen die zich nadien voordoen, zoals closing, post-closing adjustments of een garantieclaim, tenzij partijen uitdrukkelijk het nieuwe Boek 7 reeds van toepassing verklaren.
De publicatie in het Belgisch Staatsblad dient op de voet te worden gevolgd, omdat de exacte inwerkingtredingsdatum pas bij bekendmaking vaststaat.
Action Points
Contacteer de auteur

Virginie Ciers
Partner
Corporate Law | M&A | Transactions